donderdag 3 januari 2013

Verantwoording



We naderen de tienduizend meter. Het vliegtuig maakt nog hoogte. Eindelijk weg uit Kameroen. Ik kan niet omschrijven hoe gelukkig ik hierover ben. We vertrokken met zes uur vertraging. Iedereen op de luchthaven nerveus. Enkele vaders maakten zich kwaad omdat er geen water voorhanden was voor de kinderen. Anderen hadden textiel uit hun handbagage genomen en sliepen op de grond.
   Heb ik verdriet om een jongen die ik nooit de mijne kon noemen? Niemand kon dat. Als iets hem al bezat, dan was het het witte poeder. Was hij een appel, dan een met een grote worm in zijn vruchtvlees, die hem gestaag wegvrat.
   Nee, geen verdriet. Dankbaarheid dan, omdat ik hem gekend heb, om wat we meegemaakt hebben, omdat we onze griffel in de geschiedenis hebben kunnen achterlaten? Later komt die wel, denk ik, waarschijnlijk pas als ik oud ben.
   Ik zal in Parijs landen en vandaar een snelle trein naar Antwerpen nemen. Het nieuwe hoofdstuk in mijn leven zal niet meteen aanvangen. Ik moet eerst Julia en Morris inlichten, en de papieren van de Kameroenese autoriteiten aan zijn familieleden bezorgen.
   Kolo kwam op het eind van de aftakeling twee keer per dag langs. ’s Morgens dronk hij melk en vertrok vijf of tien minuten later. ’s Avonds bleef hij langer, soms tot een uur. Hij had een baan gevonden bij een bank en wou zelf het goedje niet meer kopen of transporteren. Het was hem te riskant geworden. Als ik het niet uithield in de flat, belde ik vaak naar Kolo. In het weekend nam hij me mee naar de shopping mall. Hij hing daar graag rond. De plaats paste bij zijn nieuwe sociale status van bankmedewerker. Ik ging er graag omdat het er fris was. Ik zweette als een rund als ik bewoog buiten in de zon. Kolo paste er pakken en ik gaf hem raad. Tijdens de werkweek ben ik ook enkele keren bij Kolo thuis geweest. Hij woonde nog bij zijn ouders in. Na het avondmaal, waar we met zeven mensen rond de tafel zaten terwijl het nieuws op stond, ging ik met hem alleen nog op het terras zitten. Ik hoopte keer op keer op een onweer. Hij hield er niet van. Hij vroeg vaak of ik van plan was om te blijven in Douala. We wisten dat het leven van onze gemeenschappelijke vriend een aflopend verhaal was maar dat spraken we nooit uit. Ik zou er werk vinden als advocate zei hij. We zouden samen een flat kunnen huren. Het deed mij denken aan een Japanse vriend die mij vertelde dat er in Japan niet gekust werd voor er een relatie bestond. Ik weet niet of dat klopt. Ik weet niet of Kolo een relatie wou. Hij leek het soms met veel omwegen te willen suggereren. Ik ging er echter nooit op in. Voor mij was hij sowieso te jong.
   Als ik terugkwam van de diners bij Kolo, ging ik naar de cyber om de hoek. Ik was daar ’s avonds ook als ik niet bij Kolo op bezoek was geweest. Ik skypte met mijn vader, urenlang. Deels praatten we over het werk, want ik was overdag druk bezig terwijl mijn vriend aan het bed gekluisterd was. Zonder het werk was ik gek geworden. Tegelijk gingen onze gesprekken veel dieper dan ooit tevoren. Ik hoorde het timbre van zijn stem beter terwijl ik afgesneden was van zijn visuele aanwezigheid. Hij lag ook meestal in zijn bed, wat hem misschien vertrouwelijker maakte, of zijn stem anders. Ik vroeg het hem op een avond, of hij ook vond dat we intiemer met elkaar praatten en hoe dat kwam. Hij zei dat mensen moeten blijven praten, en dat het dan voorkomt dat op een bepaald moment gezegd wordt wat gezegd moet worden. Ik vroeg of dat niet gebeurd was met mama. Hij antwoordde van niet.
   Papa wordt oud. Papa wordt 70. Ik neem de praktijk over. Ik laat hem de klanten met wie hij een warme band ontwikkeld heeft. Maar hij moet geen praktijk meer runnen. Dat zal ik doen. Ik ben nog steeds ingeschreven aan de Antwerpse balie, al ben ik er een eind uit. Maar ik heb zo een zin om erin te vliegen. Een vierde generatie advocate, en de eerste vrouw aan het hoofd van de familiepraktijk.
   Ik was enkele jaren geleden niet toe aan een advocatenpraktijk. Ik had een innovatief project nodig – en wat voor een heb ik gekregen – voor ik me in de traditie kon inschrijven. Ik hunker nu naar houvast om prestaties te kunnen leveren, en weet me bevoorrecht dat ik na mijn omzwerving deze kans krijg. Een studiegenote zei me dat ik mocht doen wat ik wilde, dat er op het eind altijd een advocatenkantoor op mij wachtte. Ik had dat jaar mijn examens compleet gerateerd, en lachte haar opmerking over mijn privileges weg.
   Haar opmerking bleef hangen. Ze herinnerde me er mij in mijn twintiger jaren op elk moment aan hoe de anderen naar mij keken. Ik vond het vaak ondraaglijk. Een wild en bewogen jaar aan de universiteit … ik kon me dat gewoon permitteren. Ik kon me alles permitteren. Ik kon me wikiBelgium permitteren zonder de vrees dat ik mijn carrière-opbouw verwaarloosde. Ik kan echter ook stellen dat ik niet enkel aan de kant van de ontvangers stond. Ik heb veel gegeven. Voor het project, voor iedereen die er baat bij had. Met wikiBelgium hebben we iets veranderd. Iets vrij groots. Toen het internet echt uit de startblokken schoot in de jaren ’90, was de mens nog niet in staat om zich mentaal volledig de mogelijkheden van het nieuwe medium eigen te maken. We zetten stappen voorwaarts.
   De tekst die mijn vriend ongeduldig met Samsung tikte, plaats ik op WikiBelgium.org. Ik ken de verantwoordelijke voor de homepage, en hoop haar te overtuigen een button naar de krakkemikkige tekst te plaatsen.
   Waarschijnlijk zullen de wikiburgers hoofdpijn krijgen van zijn syntaxis. Misschien had ik alles deftig moeten uitschrijven. Ik reken er eigenlijk op dat er onder de wikiBelgians enkele schrijvers opstaan die er iets moois van maken. Ze kunnen het boek verrijken met hun eigen ervaringen, ze kunnen de tijdslijn beter documenteren, iedereen die belang had een naam geven – in zijn geschrift lijkt er buiten ons vier niemand te bestaan – audio- en videofragmenten toevoegen, de tekst opstellen vanuit standpunt van de neutrale derde persoon.
   Het valt me niet gemakkelijk weer zinnen te produceren die elkaar opvolgen. Meer dan vier maanden concentreerde ik me elke dag op het proza van mijn stervende vriend. Als ik me op andere dingen toelegde, dan was ik nog steeds nerveus door dat kloppende ritme van zijn tekst, als een hart dat onregelmatig slaat. De wikiburgers moeten nu maar de zinnen en paragrafen gaan vormen die hij door zijn aftakeling niet meer kon maken.
   Vroeger schreven schrijvers de verhalen op binnen hun gemeenschap. Ze werden ervoor op handen gedragen, terwijl ik aan de gemeenschap wil vragen om het werk dat de schrijver gebrekkig achter liet te voltooien. Op zich niets nieuws. Oude volkse liederen bestonden in vele varianten. Iedereen kon een couplet toevoegen, en de epiek een andere wending bezorgen. Wikinomics houdt dat de mensen zingen, niet de zanger op het grote podium. De oude muziek wordt opnieuw gespeeld. De bewoners geven hun samenleving vorm. Iedereen een coupletje. Wikinomics stelt een platform voor dat zich veel meer gesofisticeerd laat bedienen om een veel groter resultaat dan de compositie van een volksliedje.
   Bij het ordenen van de stukken tekst van mijn vriend stelde ik me veel vragen. Op welke manier moest ik chronologie inbouwen? Chronologisch volgens zijn beleving in Douala? Volgens de feiten van wikiBelgium? Per thema? Er kwamen zaken naar boven uit zijn privéleven die ik niet kende. Hoe kon ik weten wanneer die plaats gevonden hebben.
   Bovendien schetste hij fragmenten die niet volledig waren. Of waar de buitenstaander zich niet gemakkelijk een toegang toe baant. Soms waren er zinsneden waar ik niets kon uit opmaken. Ik probeerde drie vier keer, lukte het nog steeds niet dan deletete ik. Vaker bekroop me de neiging om een stuk uit te breiden, aan te vullen, context te scheppen, zaken volledig te maken. Ik hield me daar van af. Ik herinner me nog zoveel meer, zou zelf de geschiedenis moeten neerschrijven en zou tot een document komen dat minstens vijf keer zo lang is. Ik zou de tekst zelf kunnen indelen, thematiseren, vorm geven. In tegenstelling tot zijn ruwe schetsen zou ik tot uitgebreide verslagen komen, ongetwijfeld veel te langdradig om te lezen. Ik zou er veel minder persoonlijk verhaal inweven. Hij stelde geen geschiedenis van wikiBelgium op, besef ik me op dit eigenste moment. Hij schreef therapeutisch dingen van zich af, wanneer in woorden gegoten gedachten in zijn hoofd dansten.
   Misschien wacht ik best tot ik 75 ben om mijn herinneringen te boek te stellen. De tijd zal de trivia uit mijn herinneringen filteren. Ik zal helder kunnen terugkijken, de jaren nadien zullen meer inzicht geven in wat onze voornaamste verdiensten zijn, in welke golven door de zee geabsorbeerd zullen worden, en welke aan land zullen komen.
   Heb ik zelf niets toegevoegd? Jawel. Ik kon het niet laten om met Paint aan de slag te gaan, in de veronderstelling dat ons wiskundig vraagstuk onbegrijpelijk zou blijven zonder visuele voorstelling. Ik heb veel respect gekregen voor de drukkers van meetkundeboeken in de tijd voor computers bestonden.
   Die meetkundige avond verliep ook voor mij zeer bijzonder (hij schreef dat hij voor het eerst sprak met mij). Ik werd me weer pijnlijk bewust van hoe het had kunnen zijn tussen ons, van het plezier dat we beleefden aan het samen zoeken naar oplossingen, als konden we de wereld even reduceren tot een Kubrick kubus, tot ons eigenste Kralenspel. Tijdens de uren die we doorbrachten onder een van onze vele stolpen die we in de periode in Antwerpen voor ons beiden ontwikkeld hadden, vond hij rust en had hij zijn vieze spul niet nodig. Hij vermeldt het heel weinig, suggereert het meer. Ik heb het tijdens deze periode vaak overwogen en zelfs voorzichtig geprobeerd, zijn leefruimte te beperken tot een klein domein dat leefbaar werd voor hem, zonder dat ik hem expliciet aanmaande binnen de stolp te blijven. Soms dacht ik dat het mij lukte, even. De terugslag ervoer hij telkens angstaanjagend krachtig. Soms moet men zich een beetje laten bedotten, selectief waarnemen, zich indekken. Dat deed hij net nooit. Ik weet niet of het een kwestie was van niet willen of van niet kunnen. Zijn manier van in het leven te staan was anders afgesteld. Een waanzinnig rationalisme zonder mededogen, nog in het minst voor zichzelf, ging gepaard met een in oorsprong grenzeloze nieuwsgierigheid.
   Wie memoires schrijft, probeert zich te rechtvaardigen of vertoont de neiging daartoe. Wie memoires schrijft, giet een nostalgische saus over de werkelijkheid waardoor ze mooier voorgesteld wordt dan ze was. Niet van dit alles op zijn opnamemachientje. Als ik Julia hoor, dan klinkt er in haar stem veel dankbaarheid door voor wat ze mocht meemaken, dat ze deel mocht uitmaken van deze groep, dat ons onwaarschijnlijke opzet met brio geslaagd is, (waarmee ik enkele negatieve wendingen niet wil ontkennen). Ik hoor geen dank in de tekst van mijn vriend. Ik hoor haast een gevloek over de taak die hem toegewezen was, als viel een lotsbeschikking hem op de hals. Nochtans nam hij de taak zelf op zich, eerst door met de pancarte door Brussel te stappen, later door ons viertal leiding te geven. Hij zwakt dat laatste element af in zijn tekst, onder andere door de indruk te wekken dat Julia de intellectuele lead nam. Ik kan getuigen – Julia en Morris zullen het met me eens zijn – dat hij de dans leidde. Organisatorisch nam ik veel over. Julia en Morris werkten hard. Maar wanneer de ideologische achtergrond of de richting die we uitmoesten met het project besproken werd, had hij de leiding. Niet Julia wist meest, altijd hij. Zijn toon was vriendelijk, motiverend, uitnodigend, zeker als we met ons vieren waren. Naar buiten toe kon hij een tikkeltje dilettant en zelfs atavistisch overkomen, als wou hij zich een ongevoelig harnas aanmeten voor wie met kritiek wou komen. Het atavistisch etiket heb ik geleend van de reporter van The Economist. Hij noemde mijn vriend een atavistisch. Ik vroeg hem te beloven dat woord niet in zijn tekst te gebruiken, een belofte die hij in de wind geslagen heeft. Ik noemde mijn vriend nadien: beschaafde atavist van mij. Hij antwoordde helemaal niet beschaafd te zijn. Misschien had de reporter van The Economist dan toch gelijk.
   Drugs maken niet gelukkig. Men wordt afhankelijk en op een zeker moment valt zelfs de roes zwaar tegen. Toen ik nog samen was met hem, was dit anders. Hij kon gelukkig zijn, blij dat de zon scheen. Grappig gezelschap. Opgetogen. Dat verdween meer met de jaren, iets wat pijn deed aan zij die hem anders gekend hebben, zij die daarom dachten dat hij een slechte dag of een slechte week doormaakte, maar het ging de jongste jaren van kwaad naar erger, als een aandeel van een bedrijf dat langzaam maar zeker naar beneden dondert, er bestonden nog wel oplevingen maar hij bevond zich op een weg bergaf.
   Wat het waarheidsgehalte van de tekst betreft, kan ik stellen dat het meevalt. Hij bracht een bij momenten cynische interpretatie van wat zich afspeelde. Zijn verhaal was niet volledig en verdient aanvulling.
   Ik vond in de tekst enkele passages waar ik het bestaan niet van afwist, maar geen enkele die me verbaasde behalve dan de nacht die hij doorbracht op de flat van Julia. Toen we samen leefden in Antwerpen, verdween hij soms voor een nacht, soms ging hij uit tot in de vroege uren, soms tot zo laat dat hij nauwelijks nog op zijn benen kon staan en niet meer binnen durfde in het kantoor van mijn vader. Soms kwamen er hotelfacturen binnen, die ik liet afhandelen door de boekhouding van het kantoor. Of hij al die nachten trouw bleef aan mij, was voor mij geen issue. Ik stelde me de vraag niet, en zou er dus ook geen probleem mee gehad hebben als hij een nacht of verschillende nachten bij Julia doorgebracht had. Volledig nuchter stel ik vast dat ik hiervan niets wist. Dat hij het me verteld heeft, dat ik positief reageerde, nee, dat klopt niet. Ik weet evenmin of het zich echt afgespeeld heeft. De mogelijkheid bestaat dat hij het verzonnen heeft, hetzij op zijn terras in Douala, hetzij nog in Antwerpen. Ik zou Julia kunnen aanspreken op het waarheidsgehalte. Ik weiger echter dat te doen. Dat stuk verleden doet er niet meer toe. Misschien moet ik haar wel vragen of ik deze passage van de tekst kan weerhouden als ik hem op het net publiceer. Ja, dat zal ik haar vragen. Terwijl ik er aan denk, ik hoor de passages over de moeder van zijn kind uit het werkstuk te schrappen. Ze kunnen de nabestaanden schade berokkenen. Hij heeft die daarom niet neergepend. Ik weet niet waarom hij die neergepend heeft. Ik vermoed dat er momenten bestonden dat hij wist dat hij een testament schreef, memoires, het documenteren van zijn aandeel in het verhaal. Andere momenten wist hij niet wat hij deed.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten