We naderen de tienduizend meter. Het vliegtuig
maakt nog hoogte. Eindelijk weg uit Kameroen. Ik kan niet omschrijven hoe
gelukkig ik hierover ben. We vertrokken met zes uur vertraging. Iedereen op de
luchthaven nerveus. Enkele vaders maakten zich kwaad omdat er geen water
voorhanden was voor de kinderen. Anderen hadden textiel uit hun handbagage
genomen en sliepen op de grond.
Heb ik
verdriet om een jongen die ik nooit de mijne kon noemen? Niemand kon dat. Als
iets hem al bezat, dan was het het witte poeder. Was hij een appel, dan een met
een grote worm in zijn vruchtvlees, die hem gestaag wegvrat.
Nee, geen verdriet. Dankbaarheid dan, omdat ik
hem gekend heb, om wat we meegemaakt hebben, omdat we onze griffel in de
geschiedenis hebben kunnen achterlaten? Later komt die wel, denk ik,
waarschijnlijk pas als ik oud ben.
Ik zal
in Parijs landen en vandaar een snelle trein naar Antwerpen nemen. Het nieuwe
hoofdstuk in mijn leven zal niet meteen aanvangen. Ik moet eerst Julia en Morris
inlichten, en de papieren van de Kameroenese autoriteiten aan zijn familieleden
bezorgen.
Kolo
kwam op het eind van de aftakeling twee keer per dag langs. ’s Morgens dronk
hij melk en vertrok vijf of tien minuten later. ’s Avonds bleef hij langer,
soms tot een uur. Hij had een baan gevonden bij een bank en wou zelf het goedje
niet meer kopen of transporteren. Het was hem te riskant geworden. Als ik het
niet uithield in de flat, belde ik vaak naar Kolo. In het weekend nam hij me
mee naar de shopping mall. Hij hing daar graag rond. De plaats paste bij zijn
nieuwe sociale status van bankmedewerker. Ik ging er graag omdat het er fris
was. Ik zweette als een rund als ik bewoog buiten in de zon. Kolo paste er
pakken en ik gaf hem raad. Tijdens de werkweek ben ik ook enkele keren bij Kolo
thuis geweest. Hij woonde nog bij zijn ouders in. Na het avondmaal, waar we met
zeven mensen rond de tafel zaten terwijl het nieuws op stond, ging ik met hem
alleen nog op het terras zitten. Ik hoopte keer op keer op een onweer. Hij
hield er niet van. Hij vroeg vaak of ik van plan was om te blijven in Douala.
We wisten dat het leven van onze gemeenschappelijke vriend een aflopend verhaal
was maar dat spraken we nooit uit. Ik zou er werk vinden als advocate zei hij.
We zouden samen een flat kunnen huren. Het deed mij denken aan een Japanse
vriend die mij vertelde dat er in Japan niet gekust werd voor er een relatie
bestond. Ik weet niet of dat klopt. Ik weet niet of Kolo een relatie wou. Hij
leek het soms met veel omwegen te willen suggereren. Ik ging er echter nooit op
in. Voor mij was hij sowieso te jong.
Als ik
terugkwam van de diners bij Kolo, ging ik naar de cyber om de hoek. Ik was daar
’s avonds ook als ik niet bij Kolo op bezoek was geweest. Ik skypte met mijn
vader, urenlang. Deels praatten we over het werk, want ik was overdag druk
bezig terwijl mijn vriend aan het bed gekluisterd was. Zonder het werk was ik
gek geworden. Tegelijk gingen onze gesprekken veel dieper dan ooit tevoren. Ik
hoorde het timbre van zijn stem beter terwijl ik afgesneden was van zijn
visuele aanwezigheid. Hij lag ook meestal in zijn bed, wat hem misschien
vertrouwelijker maakte, of zijn stem anders. Ik vroeg het hem op een avond, of
hij ook vond dat we intiemer met elkaar praatten en hoe dat kwam. Hij zei dat
mensen moeten blijven praten, en dat het dan voorkomt dat op een bepaald moment
gezegd wordt wat gezegd moet worden. Ik vroeg of dat niet gebeurd was met mama.
Hij antwoordde van niet.
Papa
wordt oud. Papa wordt 70. Ik neem de praktijk over. Ik laat hem de klanten met
wie hij een warme band ontwikkeld heeft. Maar hij moet geen praktijk meer
runnen. Dat zal ik doen. Ik ben nog steeds ingeschreven aan de Antwerpse balie,
al ben ik er een eind uit. Maar ik heb zo een zin om erin te vliegen. Een
vierde generatie advocate, en de eerste vrouw aan het hoofd van de
familiepraktijk.
Ik was enkele jaren geleden niet toe aan een
advocatenpraktijk. Ik had een innovatief project nodig – en wat voor een heb ik
gekregen – voor ik me in de traditie kon inschrijven. Ik hunker nu naar houvast
om prestaties te kunnen leveren, en weet me bevoorrecht dat ik na mijn
omzwerving deze kans krijg. Een studiegenote zei me dat ik mocht doen wat ik
wilde, dat er op het eind altijd een advocatenkantoor op mij wachtte. Ik had
dat jaar mijn examens compleet gerateerd, en lachte haar opmerking over mijn
privileges weg.
Haar
opmerking bleef hangen. Ze herinnerde me er mij in mijn twintiger jaren op elk
moment aan hoe de anderen naar mij keken. Ik vond het vaak ondraaglijk. Een
wild en bewogen jaar aan de universiteit … ik kon me dat gewoon permitteren. Ik
kon me alles permitteren. Ik kon me wikiBelgium permitteren zonder de vrees dat
ik mijn carrière-opbouw verwaarloosde. Ik kan echter ook stellen dat ik niet
enkel aan de kant van de ontvangers stond. Ik heb veel gegeven. Voor het
project, voor iedereen die er baat bij had. Met wikiBelgium hebben we iets
veranderd. Iets vrij groots. Toen het internet echt uit de startblokken schoot
in de jaren ’90, was de mens nog niet in staat om zich mentaal volledig de mogelijkheden
van het nieuwe medium eigen te maken. We zetten stappen voorwaarts.
De tekst
die mijn vriend ongeduldig met Samsung tikte, plaats ik op WikiBelgium.org. Ik
ken de verantwoordelijke voor de homepage, en hoop haar te overtuigen een
button naar de krakkemikkige tekst te plaatsen.
Waarschijnlijk zullen de wikiburgers hoofdpijn krijgen van zijn
syntaxis. Misschien had ik alles deftig moeten uitschrijven. Ik reken er
eigenlijk op dat er onder de wikiBelgians enkele schrijvers opstaan die er iets
moois van maken. Ze kunnen het boek verrijken met hun eigen ervaringen, ze
kunnen de tijdslijn beter documenteren, iedereen die belang had een naam geven
– in zijn geschrift lijkt er buiten ons vier niemand te bestaan – audio- en
videofragmenten toevoegen, de tekst opstellen vanuit standpunt van de neutrale
derde persoon.
Het
valt me niet gemakkelijk weer zinnen te produceren die elkaar opvolgen. Meer
dan vier maanden concentreerde ik me elke dag op het proza van mijn stervende
vriend. Als ik me op andere dingen toelegde, dan was ik nog steeds nerveus door
dat kloppende ritme van zijn tekst, als een hart dat onregelmatig slaat. De
wikiburgers moeten nu maar de zinnen en paragrafen gaan vormen die hij door
zijn aftakeling niet meer kon maken.
Vroeger
schreven schrijvers de verhalen op binnen hun gemeenschap. Ze werden ervoor op
handen gedragen, terwijl ik aan de gemeenschap wil vragen om het werk dat de
schrijver gebrekkig achter liet te voltooien. Op zich niets nieuws. Oude volkse
liederen bestonden in vele varianten. Iedereen kon een couplet toevoegen, en de
epiek een andere wending bezorgen. Wikinomics houdt dat de mensen zingen, niet
de zanger op het grote podium. De oude muziek wordt opnieuw gespeeld. De
bewoners geven hun samenleving vorm. Iedereen een coupletje. Wikinomics stelt een
platform voor dat zich veel meer gesofisticeerd laat bedienen om een veel
groter resultaat dan de compositie van een volksliedje.
Bij
het ordenen van de stukken tekst van mijn vriend stelde ik me veel vragen. Op
welke manier moest ik chronologie inbouwen? Chronologisch volgens zijn beleving
in Douala? Volgens de feiten van wikiBelgium? Per thema? Er kwamen zaken naar
boven uit zijn privéleven die ik niet kende. Hoe kon ik weten wanneer die
plaats gevonden hebben.
Bovendien
schetste hij fragmenten die niet volledig waren. Of waar de buitenstaander zich
niet gemakkelijk een toegang toe baant. Soms waren er zinsneden waar ik niets
kon uit opmaken. Ik probeerde drie vier keer, lukte het nog steeds niet dan
deletete ik. Vaker bekroop me de neiging om een stuk uit te breiden, aan te
vullen, context te scheppen, zaken volledig te maken. Ik hield me daar van af.
Ik herinner me nog zoveel meer, zou zelf de geschiedenis moeten neerschrijven
en zou tot een document komen dat minstens vijf keer zo lang is. Ik zou de
tekst zelf kunnen indelen, thematiseren, vorm geven. In tegenstelling tot zijn
ruwe schetsen zou ik tot uitgebreide verslagen komen, ongetwijfeld veel te
langdradig om te lezen. Ik zou er veel minder persoonlijk verhaal inweven. Hij
stelde geen geschiedenis van wikiBelgium op, besef ik me op dit eigenste
moment. Hij schreef therapeutisch dingen van zich af, wanneer in woorden
gegoten gedachten in zijn hoofd dansten.
Misschien wacht ik best tot ik 75 ben om mijn
herinneringen te boek te stellen. De tijd zal de trivia uit mijn herinneringen
filteren. Ik zal helder kunnen terugkijken, de jaren nadien zullen meer inzicht
geven in wat onze voornaamste verdiensten zijn, in welke golven door de zee
geabsorbeerd zullen worden, en welke aan land zullen komen.
Heb ik
zelf niets toegevoegd? Jawel. Ik kon het niet laten om met Paint aan de slag te
gaan, in de veronderstelling dat ons wiskundig vraagstuk onbegrijpelijk zou
blijven zonder visuele voorstelling. Ik heb veel respect gekregen voor de
drukkers van meetkundeboeken in de tijd voor computers bestonden.
Die
meetkundige avond verliep ook voor mij zeer bijzonder (hij schreef dat hij voor
het eerst sprak met mij). Ik werd me weer pijnlijk bewust van hoe het had
kunnen zijn tussen ons, van het plezier dat we beleefden aan het samen zoeken
naar oplossingen, als konden we de wereld even reduceren tot een Kubrick kubus,
tot ons eigenste Kralenspel. Tijdens de uren die we doorbrachten onder een van
onze vele stolpen die we in de periode in Antwerpen voor ons beiden ontwikkeld
hadden, vond hij rust en had hij zijn vieze spul niet nodig. Hij vermeldt het
heel weinig, suggereert het meer. Ik heb het tijdens deze periode vaak
overwogen en zelfs voorzichtig geprobeerd, zijn leefruimte te beperken tot een
klein domein dat leefbaar werd voor hem, zonder dat ik hem expliciet aanmaande
binnen de stolp te blijven. Soms dacht ik dat het mij lukte, even. De terugslag
ervoer hij telkens angstaanjagend krachtig. Soms moet men zich een beetje laten
bedotten, selectief waarnemen, zich indekken. Dat deed hij net nooit. Ik weet
niet of het een kwestie was van niet willen of van niet kunnen. Zijn manier van
in het leven te staan was anders afgesteld. Een waanzinnig rationalisme zonder
mededogen, nog in het minst voor zichzelf, ging gepaard met een in oorsprong
grenzeloze nieuwsgierigheid.
Wie
memoires schrijft, probeert zich te rechtvaardigen of vertoont de neiging
daartoe. Wie memoires schrijft, giet een nostalgische saus over de
werkelijkheid waardoor ze mooier voorgesteld wordt dan ze was. Niet van dit
alles op zijn opnamemachientje. Als ik Julia hoor, dan klinkt er in haar stem
veel dankbaarheid door voor wat ze mocht meemaken, dat ze deel mocht uitmaken
van deze groep, dat ons onwaarschijnlijke opzet met brio geslaagd is, (waarmee
ik enkele negatieve wendingen niet wil ontkennen). Ik hoor geen dank in de
tekst van mijn vriend. Ik hoor haast een gevloek over de taak die hem
toegewezen was, als viel een lotsbeschikking hem op de hals. Nochtans nam hij
de taak zelf op zich, eerst door met de pancarte door Brussel te stappen, later
door ons viertal leiding te geven. Hij zwakt dat laatste element af in zijn
tekst, onder andere door de indruk te wekken dat Julia de intellectuele lead
nam. Ik kan getuigen – Julia en Morris zullen het met me eens zijn – dat hij de
dans leidde. Organisatorisch nam ik veel over. Julia en Morris werkten hard.
Maar wanneer de ideologische achtergrond of de richting die we uitmoesten met
het project besproken werd, had hij de leiding. Niet Julia wist meest, altijd
hij. Zijn toon was vriendelijk, motiverend, uitnodigend, zeker als we met ons
vieren waren. Naar buiten toe kon hij een tikkeltje dilettant en zelfs
atavistisch overkomen, als wou hij zich een ongevoelig harnas aanmeten voor wie
met kritiek wou komen. Het atavistisch etiket heb ik geleend van de reporter
van The Economist. Hij noemde mijn vriend een atavistisch. Ik vroeg hem te
beloven dat woord niet in zijn tekst te gebruiken, een belofte die hij in de
wind geslagen heeft. Ik noemde mijn vriend nadien: beschaafde atavist van mij.
Hij antwoordde helemaal niet beschaafd te zijn. Misschien had de reporter van
The Economist dan toch gelijk.
Drugs
maken niet gelukkig. Men wordt afhankelijk en op een zeker moment valt zelfs de
roes zwaar tegen. Toen ik nog samen was met hem, was dit anders. Hij kon
gelukkig zijn, blij dat de zon scheen. Grappig gezelschap. Opgetogen. Dat
verdween meer met de jaren, iets wat pijn deed aan zij die hem anders gekend
hebben, zij die daarom dachten dat hij een slechte dag of een slechte week
doormaakte, maar het ging de jongste jaren van kwaad naar erger, als een
aandeel van een bedrijf dat langzaam maar zeker naar beneden dondert, er bestonden
nog wel oplevingen maar hij bevond zich op een weg bergaf.
Wat
het waarheidsgehalte van de tekst betreft, kan ik stellen dat het meevalt. Hij
bracht een bij momenten cynische interpretatie van wat zich afspeelde. Zijn
verhaal was niet volledig en verdient aanvulling.
Ik vond in de tekst enkele passages waar ik
het bestaan niet van afwist, maar geen enkele die me verbaasde behalve dan de
nacht die hij doorbracht op de flat van Julia. Toen we samen leefden in
Antwerpen, verdween hij soms voor een nacht, soms ging hij uit tot in de vroege
uren, soms tot zo laat dat hij nauwelijks nog op zijn benen kon staan en niet
meer binnen durfde in het kantoor van mijn vader. Soms kwamen er hotelfacturen
binnen, die ik liet afhandelen door de boekhouding van het kantoor. Of hij al
die nachten trouw bleef aan mij, was voor mij geen issue. Ik stelde me de vraag
niet, en zou er dus ook geen probleem mee gehad hebben als hij een nacht of
verschillende nachten bij Julia doorgebracht had. Volledig nuchter stel ik vast
dat ik hiervan niets wist. Dat hij het me verteld heeft, dat ik positief
reageerde, nee, dat klopt niet. Ik weet evenmin of het zich echt afgespeeld
heeft. De mogelijkheid bestaat dat hij het verzonnen heeft, hetzij op zijn
terras in Douala, hetzij nog in Antwerpen. Ik zou Julia kunnen aanspreken op
het waarheidsgehalte. Ik weiger echter dat te doen. Dat stuk verleden doet er
niet meer toe. Misschien moet ik haar wel vragen of ik deze passage van de
tekst kan weerhouden als ik hem op het net publiceer. Ja, dat zal ik haar
vragen. Terwijl ik er aan denk, ik hoor de passages over de moeder van zijn
kind uit het werkstuk te schrappen. Ze kunnen de nabestaanden schade
berokkenen. Hij heeft die daarom niet neergepend. Ik weet niet waarom hij die
neergepend heeft. Ik vermoed dat er momenten bestonden dat hij wist dat hij een
testament schreef, memoires, het documenteren van zijn aandeel in het verhaal.
Andere momenten wist hij niet wat hij deed.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten